2012

Theorievorming op het gebied van danseducatie (gericht op kinderen en jongeren)

Verslag van de studiemiddag van de VDO op 10 februari 2012 te Utrecht. Centrale thema van de studiemiddag is de theorievorming op het gebied van danseducatie gericht op kinderen en jongeren.

studiemiddag 2012

Bianca Nieuwboer (penningmeester VDO) heet iedereen welkom. Er gebeurt weinig op het gebied van theorievorming over danseducatie. Er worden veel veldonderzoek en inventarisaties uitgevoerd, maar er is weinig nieuwe theorie ontwikkeld. Er is echter wel veel interesse voor zoals o.m. bleek tijdens de studiemiddag van 2011. Vanmiddag zal er zowel oud als nieuw onderzoek gepresenteerd worden. Anders dan wat er aangekondigd is, gaat helaas de presentatie van Rozemarijn Schouwenaar over het onderzoek naar dansles voor jongens niet door.

Na het welkomst woord van Bianca volgt een presentatie van Thérèse Boshoven. Zij houdt zich bezig met het vormgeven van het centraal examen Kunst Algemeen (KUA) in het voortgezet onderwijs en geeft les aan ArteZ Hogeschool voor de kunsten in Arnhem. Haar presentatie toont de inhoud van KUA op het havo en vwo gespecificeerd op dans. Wat moeten de leerlingen uiteindelijke weten van kunst en specifiek dans en hoe wordt dat onderwezen? De presentatie is niet gestoeld op onderzoek maar op ervaringen uit de praktijk en de daaraan gekoppelde theoretische kennis.
Thérèse leidt ons door de structuur van de kunstvakken in het voortgezet onderwijs op de middelbare school. Het vak Kua is zo opgebouwd dat de leerlingen algemene basiskennis en (reflectieve) vaardigheden hebben en hierdoor kunnen schakelen tussen verschillende disciplines. Er wordt in het voortgezet onderwijs binnen Kua minder verdiepend ingegaan op iedere aparte discipline als dans, beeldende kunst, muziek, film en theater. Ieder jaar wordt voor het centraal examen een aantal onderwerpen vastgesteld die variëren tussen cultuur van de kerk, hofcultuur, de burgerlijke cultuur van Nederland in de 17e eeuw, cultuur van romantiek en realisme in de 19e eeuw, cultuur van het moderne in de 1e helft van de 20ste eeuw en de massacultuur vanaf 1950.
Voorbeelden van het kunstexamen zijn te vinden op examenblad.nl.

De tweede spreker is Vera Bergman (secretaris VDO) en zij geeft een presentatie over het nieuwe leren gekoppeld aan danseducatie. Het nieuwe leren is een term die zo rond 2000 werd geïntroduceerd. Het nieuwe leren is dus niet meer zo nieuw en een betere term zou eigenlijk authentiek leren zijn. Authentiek leren vindt zijn wortels in constructivistische opvattingen over leren. Basisprincipe hierbij is dat leren een proces is waarbij de leerling voortbouwt op bestaande of eerder verworven inzichten. Authentiek leren vindt plaats in praktijkgerichte en levensechte contexten, waarbij de leerling een actieve, constructieve en reflectieve rol vervult, mede via de communicatie en interactie met anderen. Wat kun je hier mee als dansdocent? Hoe zet je de theorie om in didactiek? Er zijn vijf belangrijke didactische kernmerken:
1: de leerling centraal. Bij dit kenmerk komt mede de theorie van David Kolb naar voren waarin hij onderscheid maakt tussen verschillende leerstijlen en tussen verschillende leerlingentypes zoals een doener of een observeerder. Dit vertoont gelijkenissen met de indeling in actief-receptief-reflectief, zoals die bij kunsteducatie wordt gehanteerd. Met andere woorden: dansen, dans maken en dans beschouwen.
2: leren is een sociale activiteit. Hoewel een dansles meestal een groepsles is, kan niet altijd worden gezegd dat dan ook sprake is van sociaal leren. Vaak zijn leerlingen toch heel individualistisch aan het werk. Een choreografieles waarin er samen dans gemaakt wordt komt dichter bij de kenmerken van sociaal leren, omdat er dan sprake is van een positieve wederzijdse afhankelijkheid en interactieve feedback.
3: productieve leeromgeving. Dan is er sprake van een uitdagende didactiek waarin er veel meer wordt gedaan dan alleen het overdragen van kennis van docent op leerling. De mogelijkheden van nieuwe media kunnen dit verder stimuleren.
4: docent als begeleider van leerproces. Hierbij wordt gesuggereerd dat de leerling het eigen leren vorm geeft en dat de docent hem/haar coacht. Bij een dansles is dat niet altijd mogelijk, omdat de overdracht van dansbewegingen vaak plaats vindt door middel van imitatie. De docent doet de bewegingen voor en de de leerling kopieert.
5: betekenisvolle context . Er wordt gestreefd naar levensechte leertaken die ten dele zijn afgeleid van activiteiten die professionals in de maatschappij verrichten. Het begrip ‘authentiek’ slaat dus niet alleen op de persoonlijke inbreng en de interne motivatie van de leerling, maar ook op het levensechte karakter van de leertaken. Dit kan bij danseducatie plaats vinden door bijvoorbeeld een bezoek aan een dansvoorstelling en het organiseren van workshops, gegeven door professionele dansers of choreografen.
Uitgaand van de constructivistische leertheorie moet danseducatie de cursisten een betekenisvolle context bieden door aan te sluiten bij de interesses en de leefwereld van de cursisten. Uiteraard zijn dat verschillende vormen van theaterdans, maar via de nieuwe media scheppen andere dansvormen, zoals musical, showdans, hiphop, tapdans en op dans lijkende vormen van acrobatiek, een nieuw referentiekader. Een quickscan van het dansaanbod geeft ook aan dat er in grote steden een ruim aanbod aan verschillende dansuitingen is, waardoor er een breed palet beschikbaar is. In dorpen is hier minder ruimte voor.

De derde presentatie is van Carolien Hermans. Zij doet promotieonderzoek naar danseducatie bij autistische kinderen. Haar onderzoeksgebied is erg breed en zij zal in deze presentatie meer ingaan op kinesthetisch vermogen, het lichamelijk leren. Kern van de presentatie vormen drie leertypes: mentaal verbeelden, observerend leren en imiterend leren. Het kinesthetisch invoelen en het recente spiegelneuronen onderzoek komen hier in terug.
Mentaal verbeelden zie je bijvoorbeeld bij dansers die in het theater de voorstelling markeren, een belichaamd simulatieproces. Het mentaal verbeelden wordt doorgaans gedefinieerd als ‘an internal rehearsal of movements from a first-person perspective without any overt physical movement’ (p.1, Lorey et al, 2009).
Cross et al. (2008)heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar observerend leren in dans. Opvallend is dat de motorische cortex ook actief wordt bij het oberveren van een dansbeweging en dus niet alleen bij een dansbeweging maken. Dansexperts kunnen beter kijken naar een dansbeweging, kunnen het meer precies nadoen dan een niet dansexpert. Uit een onderzoek van Calvino-Merino et al. (2005) blijkt dat de eigen dansstijl (bijv. ballet of capoeira) beter wordt opgepikt dan een onbekende dansstijl. De spiegelneuronen zijn actiever bij het kijken naar het ‘eigen’ idioom.
Imiteren leren is een spel tussen kijken en doen en dit doen we al van jongs af aan. Kinderen zijn imitatiemonsters. Belangrijk is dat imitatie niet hetzelfde is als kopiëren. Echte imitatie is voorbehouden aan de mens, omdat voorondersteld wordt dat dit een complexe cognitieve activiteit is waarin zowel doel als middel wordt geïmiteerd.
Vraag: hoe zit het met imiterend leren voor een jongen als er een vrouw voor de klas staat? Dat antwoord is grotendeels cultureel bepaald en afhankelijk hoe groot het sekse verschil wordt ervaren.
Opmerking: in de presentatie komt imitatie door manipulatie helemaal niet naar voren. In niet-westerse dans is het aanleren van een beweging door lichamelijke manipulatie van de docent bij de leerling heel gebruikelijk.
Vraag: wat geef je mee aan dansdocenten voor speciaal onderwijs? De basis is altijd veiligheid, vertrouwen en structuur. Danseducatie is overigens niet hetzelfde als danstherapie.

studiemiddag 2012-5-Therese Boshoven studiemiddag 2012-4-Vera bergman2 studiemiddag 2012-3 Carolien Hermans

sprekers Therese Boshoven, Vera Bergman en Carolien Hermans